Signatuurleer en typologie van de plant
De signatuurbeschrijving van de plant (het ‘signum‚ betekent teken), zegt iets over de uiterlijke verschijningsvorm van de plant. De uiterlijke kenmerken, zoals kleur, geur, beharing, smaak, structuur en vorm, maar ook de plaats waar de plant groeit geven, aan wat de werking is van de plant. Feitelijk laat de plant ons dus zien wat zijn krachten zijn. Hierbij wordt zowel naar de hele plant als gedeelten ervan gekeken. 
De signatuurleer gaat grotendeels terug op Paracelsus (1493-1541, arts en theoloog uit Zwitserland). Hij stelde dat alle planten op aarde tot nut van de Mensheid zijn. De Schepper zou aan alle planten die geen duidelijke functie als voedsel- of vezelplant hebben, een uiterlijk kenmerk (signatuur) hebben meegegeven dat aangeeft voor welke aandoeningen de plant geschikt is.
Helaas ook hier aangepaste informatie, gezien de nieuwe wetgeving, die simpelweg niet toestaat om een beschrijving van de werking van de plant te geven. Hierdoor wordt eeuwenoude informatie helaas maar heel beperkt beschikbaar worden en voor veel mensen dus onbereikbaar. 
Ik zal proberen de pagina in aangepaste vorm terug te plaatsen, maar als dit het hele signatuurverhaal teveel uit verband haalt, dan zal ik helaas moeten beslissen om de hele pagina te verwijderen. 
De meeste voorbeelden heb ik helaas moeten verwijderen.
De driegeleding
Om te beginnen is er de driegeleding van de plant. In de bouw van de plant zijn drie geledingen te onderscheiden. Deze driegeleding van de plant komt overeen met het menselijk lichaam:
De bovenpool: dit is bij de plant het wortelgebied en komt bij de mens overeen met hoofd, hersenen en zenuwstelsel. Het heeft een harde, koude, duidelijke structuur en is meestal een witgrijze massa.

Het middengebied: het blad- en ritmegebied, de hoofdstructuur van de stengel van de plant komt bij de mens overeen met skelet, hart, longen en bloedcirculatie. In het blad vindt de gasuitwisseling plaats, vergelijkbaar met onze longen. Ook vindt in het blad de sapstroom plaats, welke vergelijkbaar is met onze bloedcirculatie.

Onderpool; dit is het bloem- en zaadgebied van de plant en is zacht en warm en heeft weinig structuur. Ook bevinden zich hier de voortplantingsorganen en vindt er stofwisseling (plantsuiker) plaats. Het staat in verband met het buikgebied van de mens, waar ook de voortplantingsorganen aanwezig zijn en waar in de darmen ook stofwisseling plaatsvindt (koolhydraten worden omgezet in bloedsuiker).

Plant en mens vullen elkaar bovendien aan door de totale stofwisseling. De zuurstof die de plant afscheidt wordt door de mens ingeademd en de door de mens uitgeademde koolzuur wordt weer door de plant opgenomen.
 
Groei- en bloeiwijze 

In de groei- en bloeiwijze herkennen we ook een driegeleding, maar dan in omgekeerde volgorde;

Naar boven gerichte bloei; een naar de zon gerichte bloeiwijze, gelijkstaand aan de mens die naar buiten gericht is. Vaak zijn deze bloemen geel en draaien ze met de zon mee. Deze kruiden staan in verbinding met de onderpool en kenmerken zich door het stimuleren van de levenskracht. Het gebied waar ze zich op richten is het gebied van de zonnevlecht, het hart en de lever.

Naar de aarde gerichte bloei
: vaak klokvormige of hangende bloemen. Deze staan voor de introverte, meer naar binnen gerichte, mens. Ze zijn harmoniserend naar hersenen, hoofd en zenuwstelsel en zijn inzetbaar bij zwaarmoedigheid en depressie.
Horizontaal gerichte bloei; bloemen die naar opzij zijn gericht. Zij staan verbinding met het contactuele tussen mensen en voor de uitwisseling van het middengebied. Deze kruiden richten zich op de luchtwegen, de zuurstofwisseling en de bloedsomloop.
 
De groeiplaats van de plant 
Daar waar de plant groeit en de omstandigheden waarin, zegt iets over zijn werking met betrekking tot met menselijk lichaam.
 
Kruiden die graag op zure grond groeien, helpen om het lichaam te ontzuren en zuiveren. Een kruid dat van vocht houdt, groeit langs de waterkant en heeft bij de mens een verband met de vochthuishouding. Kruiden die woekeren en zich enorm snel uitbreiden, beïnvloeden vaak weerstandsverhogend.
 
De graag op droge rotsgronden groeiende kalkrijke kruiden, bevatten vaak veel mineralen en werken daardoor opbouwend voor de mens. Zonminnende kruiden zorgen voor warmte in ons lichaam en geven ons een zonnig gevoel en een goed humeur. Maar ze kunnen ook helpen bij klachten veroorzaakt door de zon.
 
Daarbij komt dat de plant een reden heeft om ergens te gaan groeien. Ze groeien daar niet toevallig, maar omdat wij die specifieke plant nodig hebben. Een kruid groeit daar waar hij nodig is, als hij daar tenminste de kans voor krijgt.
 
Uiterlijke vormgeving van de plant 
Wortel 
Er is een verband tussen de vorm, structuur en wijze van groeien van de wortel met de aarding van de mens en de specifieke werking op de bovenpool.
Penwortel: deze planten bevorderen de aarding van de mens, helpt steviger (in het leven) te staan, geeft vaste grond onder de voeten.
Kruipwortel: deze hechten zich aan de aarde en zijn vaak onuitroeibaar. Hierdoor zijn ze van invloed op de weerstand en helpen ze het regeneratievermogen door te zetten.
Oppervlakkige wortel; laten zich makkelijk uit de grond trekken en hebben weinig aardekracht. Hierdoor helpen ze de mens wat luchtiger te worden.
Stengel
De stengel bepaalt de stevigheid van de plant, zoals het skelet van de mens.
 
Rond: dit duidt vaak op een milde, verzachtende en harmoniserende werking. Het heeft een associatie met het ronde en zachte van de vrouw.
Hoekig/vierkant: dit staat voor mannelijke energie en duidt op daadkracht, weerbaarheid, stevigheid en kracht.
Houtig: als de stengel verhout is dan wil dat iets zeggen over de stevigheid, en wordt geassocieerd met versterking en weerstand.
Hol: dit correspondeert met holtes in het lichaam, zoals de luchtpijp, slokdarm en blaas.
Beharing: dit heeft een associatie met het gebied van huid, haren en slijmvliezen.
Doornen en stekels; zij zijn een prikkelend en stimulerend en corresponderen met weerstand.
Slap: een slappe stengel heeft een verwekende, verzachtende en soepel makende werking. Deze staat bovendien voor doorstroming.
 
Blad
De vorm, het oppervlak en de beharing van het blad vertellen ons veel over de overeenkomsten met de werking op het menselijk lichaam.
Bladvorm: bij grote bladeren overheerst de groeikracht, terwijl bij kleine of diep ingesneden bladeren juist de vormkracht het meest tot uiting komt. 
De vorm van het blad kan ook iets zeggen over de werking op een bepaald orgaan. In de natuur zijn bladeren terug te vinden met bijvoorbeeld een hartvorm, de vorm van een oor of nier.
Bladoppervlak: dit kan glad, bobbelig, stug of prikkelend zijn en zegt zo iets over de manier waarop een kruid werkt of verwijst naar een lichaamsdeel. Ook vlekken op het blad kunnen een aanwijzing zijn.
Beharing: dit correspondeert met huid, haren en slijmvliezen. Bij een grove beharing wordt vaak veel kiezelzuur/silicium teruggevonden. Dit is een bouwstof voor ons lichaam voor huid, haren en alle weefsels. Een zachte beharing, soms zo zacht als een babyhuid, wordt geassocieerd met een kwetsbare, ontstoken huid en op onze zachte slijmhuid. Naaldachtige bladeren zijn prikkelend en stimulerend.
Sterke nervatuur correspondeert met het zenuwstelsel.
websiteplant_salieblad
Blad van Salie
websiteplant_hondsdraf
Blad van Hondsdraf
De kleur, geur en smaak 
De kleur van de plant (vooral de bloem, maar ook stengel en blad) geeft informatie over het werkingsgebied van de plant. We onderscheiden hierbij hoofdkleuren en mengkleuren. Bij een mengkleur is de werking van twee of meer kleuren samengebracht, waardoor het werkingsgebied van die plant ruimer en milder is. 
De geur en smaak helpen bij het herkennen van de plant. Een plant met een sterke geur werkt vaak in op de psyche en ook de smaak heeft betrekking op een bepaalde werking van de plant.
Zo bepalen kleur, geur en smaken voor een groot deel het karakter van de plant.

Kleur
  • Rood: dit is de kleur van het leven en het bloed en dit geeft dan ook een werking aan op het bloed, hart en bloedvaten. Het is de kleur van vuur, daadkracht en energie. Planten met rood zijn opwekkend, verspreidend en laat zweten. Het brengt de energie omhoog.
  • Geel: donkergeel is een warme en verzadigde kleur en heeft een associatie met de lever, gal, spijsvertering, maar ook het hart.
  • Geel is ook de kleur van graan en symboliseert de voedingsstoffen die uit de aarde komen. De gele kleur stabiliseert en reguleert en laat de energie dalen.
  • Wit: ontstaat feitelijk uit een menging van alle kleuren samen. Het heeft een versterkende, verzachtende, kalmerende en harmoniserende invloed op het zenuwstelsel en in het bijzonder bij ontstekingen en vrouwelijke aandoeningen. Witte kruiden brengen de energie naar het binnenste van het menselijk lichaam.
  • Blauw: deze kleur heeft een kalmerende en verkoelende werking en helpt daardoor bij koorts en ontstekingen, met name op de luchtwegen en keel. In lichtblauw zit meer wit en deze werkt dan ook specifieker bij koorts en ontstekingen en heeft met name een werking op ogen en luchtwegen. Donkerblauw heeft meer een werking op het zenuwstelsel en zo bij nerveuze aandoeningen en depressies.
  • Oranje: dit is een mengkleur van geel en rood en is een warme, zonnige en levendige kleur. Het heeft en stimulerende werking op de levenskracht, het maakt het hart, de lever en het bloed vitaal, het is reinigend en verrijkt het bloed. Het ruimt op en maakt vrolijk, dankzij de zonnige en warme tint.
  • Groen: dit is een mengkleur van blauw en geel. Lichtgroen, waar meer geel in zit: werkt op maag, darmen, milt en suikerstofwisseling. Donkergroen, waar meer blauw in zit: heeft een meer kalmerende en versterkende werking, vooral op het hart en bloedaanmaak. Groen laat de energie omhoog gaan. Stagnaties worden opgeheven.
  • Paars: dit is een mengkleur van rood en blauw, met soms wat wit. De rode kleur geeft een stimulerende werking aan, terwijl het blauw (en wit) juist een kalmerende werking aangeeft. Dit geeft een harmoniserend effect, specifiek op het hoofd, zenuwstelsel en psyche.
  • Bruin: deze kleur ontstaat door een menging van rood, geel en blauw. Deze kleur geeft rust en harmonie. Bruin helpt om te kunnen aarden, het brengt je terug bij de bron. Het geeft een natuurlijke kracht en brede uitwerking en is vooral rustgevend bij stress, (over)vermoeidheid en lichamelijke uitputting.
  • Roze: dit is een mengkleur van rood en wit en zodoende een gematigde vuurkracht met een zacht effect op het bloed.
  • Zwart: deze kleur geeft een voorhemelse energie aan, het begin. De kleur versterkt met name de nier, het bloed en de fundamentele energie. Het verhoogt de bloeddruk. Het lijkt de energie stil te laten staan, maar is er juist een voorbode van.
  • Een verkleuring van roze/rood naar paars/blauw: dit geeft een effect op de gasuitwisseling in de longen en zuurstoftransport naar de cellen.
Smaak 
Een bittere smaak wijst op een stimulerende werking op de spijsvertering en een werking op het hart. Het haalt ook een teveel aan vocht weg, verdrijft en koelt hitte en matigt een teveel aan vreugde. 
Een zoute smaak komt niet veel voor bij planten, maar wel een scherpe, mosterdachtige smaak (radijs en mierikswortel bijvoorbeeld). Deze smaak heeft een aanvurend effect op de spijsvertering en activeert en harmoniseert de beweging van het bloed. Het verwarmt, versnelt de ademhaling en is zweetbevorderend. 
De zure smaak heeft een samentrekkende en reinigende werkzaamheid en zorgt dat de lever niet ontspoort. Het kan energie verzamelen en tot een halt roepen om teveel vochtverlies te voorkomen. 
Zoet is een zeer geliefde smaak en geeft troost en warmte. Deze smaak wordt ook wel gebruikt om het bittere te verhullen. Zoet heeft een versterkende eigenschap, geeft energie en heeft stimulerend effect op de levenskracht. Planten met een zoete geur hebben een kalmerend effect.
 
Typologie 
Net zoals een mens een karakter heeft, heeft een plant dat ook. Dit is waarneembaar door de plant goed te observeren en zo naar het wezen en de uitstraling van de plant te kijken. Zo kun je een gelijkenis zien met menselijke eigenschappen. Op deze manier hebben kruiden niet alleen een effect op het lichamelijke, maar ook op het geestelijke van de mens. Deze overeenkomst tussen plant en mens wordt beschreven in de typologie van de plant. De typologie van de plant is van belang om het juiste kruid bij de persoon te kunnen vinden. Voorbeelden van typologie zijn:
 
Agrimonie heeft een trotse en krachtige uitstraling, maar ook vriendelijke en zachte kant. Geur en smaak zijn aangenaam. De plant past bij het type mens dat van buiten sterk is, maar van binnen teer en kwetsbaar. Deze persoon neemt veel spanning op uit zijn omgeving en houdt veel indrukken vast, zonder dit te laten merken. De persoon uit zich niet en achter de eeuwige glimlach gaat een eenzaam persoon schuil.
Aan de Brandnetel kun je jezelf vervelend prikken en deze past dan ook bij een prikkelbaar en snel geïrriteerd persoon. Het is een mens met veel energie en vuur. Het prikkelbare zie je vaker terug bij planten met doornen, stekels en naalden. Maar ze hebben ook prikkelend en stimulerend effect en geven zo energie. Ze passen dan bij de vermoeide en uitgebluste mens.
Duizendblad is een plant die graag in groepen groeit en zo ook past bij een echt groepsmens, die goed functioneert binnen de groep, maar als hij/zij alleen is onzeker en nerveus wordt.
 
Veel zonminnende planten geven warmte, vrolijkheid, energie en levenskracht. Planten die steun zoeken bij anderen of klimmen in andere planten, passen vaak bij mensen die ook steun zoeken bij anderen en niet goed op eigen benen kunnen staan, de onzelfstandige mens.
 
Bronnen:
  • Kruiden, signatuurleer en eigenschappen van Yvonne Maessen
  • Westerse kruiden in een Oosters jasje van Carstien Nijeboer en Judith Karsten
  • http://plantaardigheden.nl